Algemene informatie over wandelen

Deze pagina behandelt algemene onderwerpen die van belang (kunnen) zijn bij het wandelen, waarbij met de term wandelen met name gedoeld wordt op langere wandelingen en meerdaagse tochten. De pagina is momenteel nog in aanbouw, maar enkele onderwerpen die aan de orde (zullen) komen, zijn:


Wandeltechniek

In essentie is wandelen niets anders dan lopen, zoals je dat op jonge leeftijd al leert; afwisselend de ene voet voor de andere zetten en vice versa. Toch blijkt dat wandelen soms problemen - in de zin van lichamelijke klachten - oplevert.

De meest voor de hand liggende oorzaak van klachten is overbelasting van (ongetrainde) spieren. Wie direct vanuit de goed ingezeten bureaustoel 20 kilometer gaat lopen, loopt een groot risico de volgende dag diezelfde bureaustoel niet meer uit te kunnen komen vanwege de spierpijn. Hoewel wandelen geen bijzonder intensieve vorm van lichaamsbeweging is duurt een wandeling meestal aanzienlijk langer dan een potje squashen. Het is dus verstandig om, zoals bij iedere vorm van lichamelijke inspanning, enige voorzichtigheid te betrachten en de inspanning geleidelijk op te bouwen.

Bij wat langere wandelingen kan het geen kwaad om de beenspieren te strekken, zoals joggers doen. Doe dit niet vooraf, maar bijvoorbeeld na een kwartier wandelen, zodat de spieren enigszins opgewarmd zijn. Aan het einde van de wandeling kan het ritueel herhaald worden.

Een tweede veel voorkomende bron van klachten is overbelasting van enkels en knieën. Dit treedt met name op in heuvel- en bergachtig gebied, aangezien de meeste Nederlanders niet gewend zijn op een niet-horizontale ondergrond te lopen. In de praktijk blijkt de hoge schacht van stevige berg(wandel)schoenen veel enkelklachten aardig te kunnen voorkomen. Met knieklachten is het helaas minder simpel. Sommige wandelaars hebben baat bij een wandelstok, maar het juiste gebruik daarvan vereist oefening. Bij aanhoudende klachten is het zonder meer verstandig een (sport)arts of fysiotherapeut te raadplegen, om blijvende schade aan de gewrichten te voorkomen!

Een laatste punt van aandacht is het risico van verwonding door een valpartij. De meeste mensen hebben weinig moeite met het lopen op goed onderhouden paden, maar buiten de paden wordt het een ander verhaal. In de bergen is het vaak noodzakelijk om bij iedere stap te kijken waar de voet neergezet moet/kan worden. In het begin is dit erg inspannend - en ook vervelend, want je komt nauwelijks aan iets anders toe - maar ook hier baart oefening kunst. Wanneer de moeilijkheidsgraad van het terrein geleidelijk wordt opgevoerd, leert men de eigen mogelijkheden (en beperkingen) vanzelf kennen.

Let wel: het gaat hier uitsluitend over bewandelbaar terrein. Echte bergsport-aangelegenheden als uitgebreide klauterpartijen of het passeren (traverseren) van een sneeuwveld of gletsjer moeten alleen met daarvoor geschikt materiaal (stijgijzers, pickel, zekering m.b.v. touwen, etc.) en onder begeleiding van een ervaren gids of bergsporter worden ondernomen! Dit valt dan ook geheel buiten het bestek van deze pagina's.


De planning van een wandeltocht: afstanden

Voor sommige (prestatie)wandelingen is de afstand het belangrijkste kenmerk, zoals bij de Vierdaagse. Voor de meeste andere wandeltochten is de afgelegde afstand slechts bijzaak, en gaat de belangstelling voornamelijk uit naar het landschap, de rust of bezienswaardigheden. Toch is de afstand ook in die gevallen een belangrijke factor. De afstand bepaalt voor een belangrijk deel hoe lang je over een tocht zult doen, en dus of je b.v. nog voor zonsondergang op je bestemming zult aankomen. Aan de andere kant bepalen conditie en algehele lichamelijke gesteldheid de "actieradius" van de wandelaar: hoe ver kan men lopen zonder (te) uitgeput te raken of voeten en spieren te overbelasten.

Om in te kunnen schatten hoe lang je over een bepaalde route zult doen, is het van belang te weten hoe snel je zélf - onder verschillende omstandigheden en in verschillende soorten terrein - wandelt. De aloude schatting van "vijf kilometer per uur" geldt slechts onder bepaalde (redelijk optimale) omstandigheden. Veel beter is het om voor jezelf persoonlijke waarden vast te stellen, door de looptijden van wandelingen over bekende afstanden (b.v. uitgezette routes zoals LAW's) bij te houden.

Naast de daadwerkelijke afstand in kilometers is ook de gesteldheid van het terrein van groot belang. Waar iemand in Nederland bijvoorbeeld een gemiddelde dagafstand van 25 kilometer loopt, kan dat in bergachtig terrein gemakkelijk zakken tot 10 of 15 kilometer. Ook op relatief vlak maar slecht begaanbaar terrein, zoals moeras of dichtbegroeid gebied, zakt de gemiddelde snelheid sterk. Daarnaast is ook de hoeveelheid bepakking van belang.

De effecten van afstand en hoogteverschil (maar niet van de terrein gesteldheid) op de looptijd zijn verwerkt in Naismiths Rule, die al sinds jaar en dag als vuistregel door wandelaars wordt toegepast. Volgens deze regel kosten 1 kilometer lopen, 100 meter stijgen en 200 meter dalen ieder 15 minuten. Dit alles is cumulatief, dus een wandeling van 10 kilometer waarbij 500 meter gestegen en 200 meter gedaald wordt neemt in totaal 4 uur (10 plus 5 plus 1, maal 15 minuten).

De schatting op basis van Naismiths Rule is exclusief (langere) pauzes en gaat ook voorbij aan de effecten van vermoeidheid bij lange(re) tochten. In de praktijk duren wandelingen dan ook meestal langer, zeker als men af en toe wat langer wil stoppen om rustig te eten of te drinken, van het uitzicht te genieten en te rusten. Bedenk tenslotte dat het een vuistregel is: niet alle vuisten zijn even groot en niet alle wandelaars lopen even snel. Dat gezegd hebbend moet ik meteen toegeven dat Naismiths Rule voor mij persoonlijk zeer bruikbare schattingen oplevert. Over een 28 kilometer lange tocht door de Eifel met ongeveer 300 meter stijgen en dalen deed ik in de praktijk ongeveer 8,5 uur (Naismith: 7 uur voor de afstand plus een ruim uur voor klimmen en dalen). De beklimming en afdaling van Yr Wyddfa (Snowdon, 1085 meter) vanaf Pen-y-Pass (359 meter) kostte ongeveer 6 uur (Naismith: 3 uur voor 12 kilometer lopen en een ruime 2,5 uur voor 700 meter stijgen en dalen).


Weer, terreinkenmerken en risico's

Of een wandeltocht een daadwerkelijk risico (voor de gezondheid) kan gaan opleveren, hangt met name van de weersomstandigheden en de aard van het terrein af. De risico's variëren aldus van verwaarloosbaar klein voor een korte boswandeling op een zomerse dag tot aanzienlijk bij een winterse tocht door de bergen.

Weersomstandigheden: De meest concrete bedreigingen voor de wandelaar zijn onderkoeling, oververhitting en/of uitdroging, en blikseminslag:

Onderkoeling
Lage temperaturen, harde wind en regen kunnen allemaal bijdragen aan een ongewenste afkoeling van het lichaam. De risico's worden sterk vergroot wanneer men oververmoeid is en/of te weinig voedsel heeft genuttigd. Lichte onderkoeling kan snel optreden wanneer men bijvoorbeeld na een inspannende klim op de top pauzeert zonder zich voldoende te beschermen. In harde wind koelt een bezweet lichaam snel af; trek daarom een jas of Windbloc / Windstopper fleecetrui aan. In niet-alpiene gebieden zou ernstige onderkoeling bij een enigszins redelijke voorbereiding niet voor moeten komen. Onder voorbereiding wordt hier verstaan: voldoende eten meenemen, zorgen voor goede regenkleding en een extra (fleece) trui, en niet in extreem slecht weer de bergen in gaan.
Oververhitting en/of uitdroging
Omgekeerd kan een inspannende klim tijdens warm weer en in de felle zon leiden tot oververhitting. Wanneer je het gevoel krijgt duizelig te worden of achter adem te raken, pauzeer dan en neem wat te drinken en te eten. Regelmatig drinken is zowiezo belangrijk. Onderschat ook de hoeveelheid water niet die je onder dergelijke omstandigheden nodig hebt: bij hevige inspanning kun je een liter per uur verliezen door transpiratie. Tenzij je zeker weet dat er onderweg fourageermogelijkheden zijn, moet voldoende water voor de hele tocht mee worden genomen.
Blikseminslag
Hier geldt wat iedereen als kind al geleerd heeft: bij naderend onweer niet schuilen onder bomen of overhangende rotsen, bij voorkeur de beschutting zoeken van een gebouw of auto en als dat niet lukt het blootgestelde oppervlak zo klein mogelijk maken. Dat wil zeggen: gehurkt op de grond gaan zitten, met de voeten bij elkaar en bij voorkeur op een isolerend object zoals een zitlap of een rugzak.

De beste remedie is bedreigende weersomstandigheden te vermijden. Dit klinkt een beetje onbenullig, maar het is voor een groot deel eenvoudig te realiseren. Stel jezelf iedere dag op de hoogte van de lokale weersverwachting, en pas de plannen daaraan aan. Voor de meesten van ons is er geen enkele reden om bij een naderend onweersfront de bergen in te trekken. Zorg ook dat ontsnappingsroutes (zie Oriëntatie) bekend zijn, zodat in het geval van onverwacht slecht weer zo snel mogelijk een schuilgelegenheid en/of de bewoonde wereld kan worden opgezocht.

Voor al deze zaken geldt dat ze een serieuze bedreiging kunnen vormen, en in extreme gevallen tot de dood kunnen leiden. Wie zich in slecht weer buiten begeeft doet er goed aan zich terdege in de risico's en de bestrijding ervan te verdiepen.

Terreinkenmerken: Onder terrein-gerelateerde risico's versta ik hier het gevaar van valpartijen, en dan natuurlijk met name bij grote hoogteverschillen, verdwalen en van verdrinking.

Vallen
Het behoeft geen betoog dat valpartijen in bergachtig gebied zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Wandelaars kunnen de risico's niet altijd geheel vermijden, want ook goed begaanbare wandelpaden lopen soms langs diepe afgronden. Toch is het verstandig de ogen goed open te houden en geen onnodige risico's te nemen. Als een route serieuze moeilijkheden dreigt te gaan opleveren - denk bijvoorbeeld aan een onvoorziene klauterpartij over gladde rotsen in slecht weer - keer dan om of zoek een alternatieve en veilige route. Een tweede punt van aandacht is het schoeisel: veel uitglijders worden veroorzaakt door ondeugdelijke schoenen (gymschoenen in de bergen) of bijvoorbeeld versleten profielzolen.
Verdwalen
Verdwalen heeft natuurlijk alles te maken met een gebrek aan oriëntatie, waarover elders een en ander wordt geschreven, maar ook de aard van het terrein speelt een rol. Met name in uitgestrekte gebieden zonder duidelijke terreinkenmerken (wegen en dorpen, maar ook bergtoppen) is de kans op verdwalen groter dan gebruikelijk. Dergelijke gebieden zijn op een goede kaart meestal eenvoudig te herkennen (aan de afwezigheid van bovengenoemde herkenningspunten!), zodat men kan besluiten ze te vermijden, b.v. door een alternatieve route te kiezen. Tenslotte: het directe risico van verdwalen is natuurlijk gering, maar indirect kan het leiden tot zaken als onderkoeling en voedsel- en watertekort (zie hierboven).
Verdrinking
Met dit risico kan de wandelaar te maken krijgen bij het doorkruisen (doorwaden) van een rivier of grote beek, wanneer men de diepte en/of de sterkte van de stroming onderschat. Het doorwaden moet als het enigszins kan vermeden worden op plaatsen die niet expliciet als doorwaadbaar zijn gemarkeerd (in het veld of op de kaart) en na periodes van hevige regenval, wanneer de stroming veel sterker is dan normaal. Ook in moeras- en veengebieden dient de wandelaar op zijn/haar tellen te passen. De veenlaag kan dikker zijn dan men denkt, en ook iemand die zich in het water goed thuisvoelt zal zich niet altijd zonder hulp uit de "zuigende" substantie kunnen bevrijden. Tenslotte kan ook de bodem in de directe omgeving van natuurlijke bronnen erg drassig zijn door het opwellende water; soms komt zelfs drijfzand voor.


Oriëntatie: kaart en kompas

Zowel bij zelf vooraf uitgestippelde als bij bestaande wandelroutes probeert de wandelaar een specifieke route in het veld te volgen. In het geval van gemarkeerde routes, zoals LAW's en hun buitenlandse tegenhangers, kan dat zo eenvoudig zijn als het volgen van duidelijke markeringen. Als men echter een ongemarkeerde route volgt, of wanneer de markering is verdwenen of beschadigd, is het nodig om de route te vinden aan de hand van routebeschrijving, kaart, kompas en terreinkenmerken. Hetzelfde geldt wanneer men verdwaalt of om wat voor reden dan ook van de route moet afwijken.

Bij tochten in dunbevolkte gebieden: Laat als het enigszins mogelijk is een routeplanning achter bij bijvoorbeeld de beheerder van hotel of camping of de huttenwaard, met daarbij ook de bestemming en de verwachtte aankomsttijd. Wanneer er iets mis gaat, kan de betreffende persoon alarm slaan en de reddingsdiensten naar het juiste gebied sturen. Vergeet dan ook niet te melden dat je veilig bent aangekomen, om een onnodige (en dure) actie te vermijden!

Het eerste vereiste voor een juiste oriëntatie is een goede kaart, bij voorkeur een topografische kaart op schaal 1:25000 of 1:50000.

Als je ondanks alles toch bent verdwaald - of denkt verdwaald te zijn - raak dan niet in paniek en ga vooral niet in het wilde weg proberen de route verder te vervolgen! Bestudeer de kaart en probeer te bepalen waar je voor het laatst zeker wist dat je je op de route bevond. Aan de hand van de laatste zekere positie kan meestal worden vastgesteld waar men zich ongeveer moet bevinden. Door het vergelijken van terreinkenmerken is zelfs de exacte positie in vele gevallen direct te bepalen. Mocht dit alles niet lukken, volg dan voorzichtig de afgelegde route terug naar de laatste zekere positie. Het klinkt misschien stompzinnig, maar het helpt om je af en toe om te draaien, zodat je de omgeving ziet zoals op de heenweg!

Verdwalen wordt pas ècht vervelend wanneer het ertoe leidt dat je niet meer voor duisternis de bewoonde wereld kunt bereiken, en gedwongen bent de nacht in het veld door te brengen. In het algemeen is het een slecht idee om in de duisternis verder te lopen; de kans is groot dat je nog verder in de problemen raakt. Wat te doen in dergelijke gevallen lees je hieronder.


Wat te doen in noodgevallen

Deze sectie is nog in aanbouw. Momenteel staan slechts een aantal tips en raadgevingen puntsgewijs vermeld. Hier wordt ook niet ingegaan op EHBO en medische verzorging.


Terug naar de hoofdpagina.

Datum laatste revisie: 3 juni 1999